Home / Lutherencyclopedie / Wil

Wil

De discussie over de vrije wil is een oude discussie in de theologie. De discussie ontstond al in de tijd van Augustinus, toen hij een debat had met Pelagius en de semipeligianen of de mens zich vrijwillig tot God kan keren of niet. Pelagius leerde dat dit wel kon en Augustinus stelde dat de mens daartoe niet in staat is vanwege de erfzonde.
In de tijd van Luther stelden de humanisten dat de mens een wilsvrijheid heeft in de verhouding tot God. De mens was in staat om zichzelf te verbeteren. Luther stelde echter dat de vrije wil alleen maar een naam voor iets is, wat niet bestaat. Erasmus van Rotterdam stelde echter in het geschrift De libero arbitrio. diatribe (1524) dat Luther overdreven de zonde schilderde en dat zo het Godsbeeld en het mensbeeld verdonkerd werden. De mens kan zo niet verbeterd worden en is zo niet verantwoordelijk. De vrije wil is een kracht van het menselijk willen, waarmee de mens zich tot het heil kan voeren of zich daarvan kan afkeren.
Luther antwoordde echter in De servo arbitrio (1525) dat het daarom ging of de mens ten opzichte van de wereld de vrijheid heeft wat hij moet doen, veel meer gaat het er om of hij tegenover God in blik op het heil een vrije wil heeft. Met zijn theorie maakte Erasmus Christus tot niets, wordt de Heilige Schrift met voeten getreden en God onrechtvaardig gemaakt. Door de erfzonde is er geen afstemming mogelijk tussen de Goddelijke genade en de menselijke wilsvrijheid. Alleen omdat God onze wil ons afneemt, kunnen wij heilszekerheid krijgen. God laat in het evangelie zien dat Hij onze dood niet wil. Luther stelt daarentegen een coöperatie voor tussen God en mens.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 760-762)