Home / Lutherencyclopedie / Waarheid

Waarheid

Voor Luther ging het de waarheidsvraag primair om de waarheid van het evangelie. Dat is de voorrang van het Woord van God tegenover autoriteitsaanspraken van de kerkelijke hiërarchie. De waarheidsgronding van het evangelie komt tot werking, wanneer enerzijds het uiterlijke woord van God gehoord wordt en anderzijds als het innerlijke woord, wat door Gods Geest bemiddeld en beleefd wordt. Daarom kan Luther zeggen gelooft u, dan heeft u, gelooft u niet, dan heeft u niet (WA 7, 24, 13).
De ware waarheidskennis is alleen mogelijk op basis van de Bijbelse hermeneutiek/uitlegkunde. Luther heeft daarom van het begin gewezen op de onverenigbaarheid tussen aristotelisch-scholastieke waarheidsvinding en de theologisch geboden waarheidsuitleg. Luther stelt dan ook dat zo niet het handelen van God gevat kan worden door de aristotelisch-scholastieke waarheidsvinding. Ze richt zich alleen op de interne mens aangaande zijn zinnelijkheid, verstand en geest, maar niet op relaties . Luther gaat uit van de eenheid van een persoon.
Fundamenteel voor Luther aangaande de waarheidsvraag is het perspectief van het hart. Ten tweede is ook essentieeel voor Luther dat het verstaan van de waarheid van het hart, het verstaan van het geloof, niet iets onverstandig is. Ten derde stelt Luther dat de waarheid universeel is en de ervaringswaarden van het geloof omvat.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 741-743)