Home / Lutherencyclopedie / Tolerantie

Tolerantie

Het middeleeuwse ketterrecht heeft criteria gemaakt, wie als ketter is aan te zien: die afgevallen zijn van het ware geloof en hardnekkig daar aan vasthouden. Door de inquisitie lag de vaststelling van ketterij bij de kerk, en de bestraffing werd uitgevoerd door de wereldlijke overheid. Door geluk en de politieke scherpte van de landsheer Friedrich III de Wijze kwam Luther onder de verdachtmaking van ketterij te staan. Werd aan het begin van de jaren 20 de gehele reformatorische beweging verdacht van ketterij, was de omgang met andersdenkenden en andersgelovigen voor de ontstane evangelische gebieden van eminente betekenis, wat zich onder meer liet zien in het middeleeuwse ketterrecht.

In Luthers argumentatie laat zich in de loop van zijn leven een verandering vaststellen. Op de Rijksdag van Worms weigerde hij zijn geschriften te herroepen met het heenwijzen op het geweten als centraal tolerantieargument. Het geweten moet in het Woord van God gevangen zijn. Daarom is het gevaarlijk om iets tegen het geweten in te doen. Daarbij maakt Luther onderscheid tussen de twee rijken. Het is een vrij werk om te geloven, waartoe men niemand kan dwingen.

De wereldlijke overheid is daar te weren, waar zij zich het aanmeet op de belangen van het geestelijke regiment te grijpen en de enkelen te dwingen. Waar dit zoals in Meißen Bayern of Brandenburg het geval is, wanneer het verboden wordt om Luthers vertaling te verbreiden, is met het niet volgen van de wet te reageren.

Ook wanneer Luther zei dat ketterij een geestelijk ding is, dat kan men met geen eisen hebben, met geen gevaar verbranden, met geen water verdrinken en eiste, dat men anders gelovigen met het Woord bestrijden moest, toont zich ook, dat hij geen afbreken van de absolute waarheidsaanspraak van het Evangelie toeliet. Want het is een vrij werk om te geloven, waartoe men niemand kan dwingen.

De wereldlijke overheid is daar te weren, waar zij zich het aanmeet, op de belangen van het geestelijke regiment te grijpen en de enkelen in geloofsvoorstellingen te dwingen. Waar dit in Meißen, Bayern of Brandenbrug het geval is, wanneer verboden wordt Luthers vertaling van het Nieuwe Testament te verbreiden, moet men reageren van de wetten te reageren.

Ook wanneer Maarten Luther zei dat ketterij een geestelijk ding is, dan kan men met geen eisen hebben, dat kan men met geen eisen hebben, met geen vuur verbranden, met geen water laten verdrinken en eiste, dat men andersgelovigen met het Woord moest bestrijden, daar in otoont zich ook, dat hij geen afbraak van de absolute waarheidsaanspraak van het evangelie toeliet. Zo schrijft hij in de kerkenpostille: Er mag naast het evangelie geen andere leer zijn, het wil alleen getuige zijn van Christus en de mensen tot het dicht van deze Christus leiden.

Deze toenemende compromisloser wordende houding, toont zich sinds het midden van de 20-er jaren in het omgaan met de boeren, die hun oproer met reformatorische argumenten legitimeerden. Luther grensde zich van hun vrijheidseisen af, dat zij zich tegen de wereldlijke overheid richten en de ware leer vervalsten; evenzo hoe hij het verzoek van Thomas Müntzer als een vermenging van de twee rijken afwees.

In 1531 bevestigde Luther een advies van Philipp Melanchthon Ob Christliche Fürsten schuldig sind, der Widerteuffer unchristlicher sect mit leiblicher Straffe, und mit dem Schwert zu wehren, waarin niet alleen de doodstraf voor oproerige dopers werd geëist, maar ook voor al diegene, die zich weliswaar vredig verhielden, maar die toch nog de kerkelijke ordeningen verstoorden. Het verwijt was blasfemie voor al vanwege de afwijzing van het predikambt. Daarmee was dit volgens de Wittenberger theologen, met de dood te bestraffen.

Wat de criteria voor de ketterij betreft, was Luther tot het middeleeuwse ketterrecht teruggekeerd. Hij had nog een aantal jaar daarvoor uit zijn minderheidspositie tolerantieargument van de vrijheid van het geweten als geestelijk ding gerelativeerd.

Landgraaf Philipp van Hessen koos voor een andere weg in de omgang met andersgelovigen en stond een tolerantiemodel voor in de zin van een door de overheid vervoegde integratie in het territorium. In zijn argumentatie tegenover de Keursaksische buren zocht hij hulp met het oog op de dopersen op het vroege tolerantieargument van Luther, toen hij beklemtoonde, hij kon met de tijd in ons geweten niet vinden, iemand die het geloof half, waar niet genoegzame oorzaken met het zwaard te richten en daarmee de doodstraf afwees.

Met hulp van Martin Bucer gelukte het, om de meesten dopersen in het kader van de tuchtorde van 1539 en door de invoering van de confirmatie te integreren. De Jodenordening van 1539 was een voorbijgaand verblijfsrecht in Hessen. Dit bood in de reformatietijd een alternatief concept tot andere evangelische territoria en steden, die de uitwijzing van elke groepering bedreven hadden.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 698-699)