Home / Lutherencyclopedie / Theologie

Theologie

Hoe kom ik aan een genadige God? Telkens weer wordt deze centrale vraag van Luther gesteld aan de hand van deze formulering. Op deze manier is de vraag echter onduidelijk. De vraag geeft aanleiding tot misverstand omdat naar de waarde wordt gezocht van de eigen prestatie. Luther stelt echter de vraag: Wat wil God van mij? De vraag achter de vraag naar de genadige God bij Luther is te zien als de vraag naar: “Wat wil God van mij?” Luther vreesde in de aflaatpraktijk een aangewezenheid van de mensen op de genade van God. Daarmee gaat men ervan uit dat ik zelf God genadig kan stemmen. Zo toont zich in de heersende aflaatpratijk iedere keer ook een misverstaan van de boete. Luthers thesen tegen de aflaat waren daarom ook niet een alleen theologische politieke kritiek op een slechte praktijk, maar het was het centrale voorwerp van zijn herdefiniëring van het boete-instituut en het theologiebegrip. Want in de boete voltrekt zich het beslissende inzicht in ons zondaar-zijn die tenslotte in de rechtvaardigingsleer haar theologische gestalte wint. Dit kan gezien worden als het centrum van de reformatorische theologie. Het gaat om het nieuwe verstaan van de gerechtigheid. Het centrum ligt in het verstaan van de gerechtigheid van God. Toen Luther deze gerechtigheid op de juiste manier verstond, voelde hij zich geheel nieuw geboren en het leek alsof hij door geopende deuren in het paradijs trad.

Omstreden is echter in het onderzoek, of zich dit inzicht van Luther in de reformatorische theologie als een doorbreuk of op een procesmatige manier voltrokken heeft. Deze alternatieven beroert de vraag naar de continuïteit van de jonge met de oude Luther, waarover in het onderzoek geen overeenkomst bestaat. De op Luther volgende generatie richtte haar interesse op Luther, die in de discussie met de Roomse theologie een nieuwe conceptie van zijn theologie uitwerkte. Men wilde de jonge Luther als voorreformatorisch in zijn theologische betekenis verminderen. Het was de verdienste van Karl Holl, op de betekenis van de jonge Luther voor de ontwikkeling van reformatorische inzichten te wijzen. Naar Hans Joachim Iwand heeft Luther gezien dat geen weg aan de jonge Luther voorbij voert, wil men de oude Luther verstaan. De jonge Luther leert ons zijn theologie in de beweging te zien, in een onaflaatbaar worden, te zien. Daarmee wordt tegelijkertijd ook verondersteld dat de voorreformatorische gerichtheid van Luthers denken zich in banen bewoog, die ook zijn nareformatorische theologie bepaalden.

Deze waarneming bevestigt het vermoeden, dat levensbestemmmende inzichten in zichzelf een continuïteit zijn. Dat geldt ook voor kenteringen. Want daar toont zich het nieuwe in de revisie van het oude. In zoverre wordt zich in het nieuwe onderzoek uitgekristalliseerde inschatting inschatting van de continuïteit van de jonge met de oude Luther, de procesmatige ontwikkeling van zijn reformatorisch inzicht tegenover de ramingen van een plotselinge bekeringservaring door hermeneutische overwegingen ondersteund. De kwalitatieve nieuwe bestemming van de reformatorische inzichten wordt daardoor niet verminderd, maar wel ondersteund. Zij volgt een precisering van de duiding van ervaring en niet een tot hiertoe geldige duidingssamenhang. Deze interpretatie van de reformatorische doorbraak als precisering van de duiding van ervaring kan in zoverre ook het patroon zijn voor de duiding van bekeringservaringen of geloofservaringen. Ze zijn als revisie-ervaring te begrijpen, die zich in onverstelde doorblik op de eigen levenssamenhang en op de eigen levensbestemming uitdruk verschaffen. Want alleen door deze continuïteit krijgen zij allereerst de zekerheid, het eigen leven in waarheid te verstaan. Zo’n zekerheid wordt niet naadloos, maar door en in deze breuk als continuïteit van het eigen leven in waarheid verstaan. De samenhang en de contextgerichtheid van het leven, die zich in revisiebestemmingen uitdrukking verschat, is precies elk hermeneutisch patroon, waarin in houd en methodiek zich zo vouwen, dat de christelijke waarheid zich alleen in tegenstellingen laat vatten: Wet en Evangelie, letter en geest, Woord en geloof, oud en nieuw, zonde en geloof, persoon en werk, rechtvaardige God en zondige mens. In de concentratie op het zekere inzicht in de waarheid van het geloof zijn de tegenstellingsparen niet alleen in de zin van een systematische betrekking verschillende bereiken op te vatten, maar zijn de tegenstellingsparen zijn de alleen met elkaar en tegenstellende bestandsdelen van de ene, de mens vrij makende zekerheid van het geloof. Daarmee vertegenwoordigt bij Luther het christelijke geloof de eenheid van het leven in verschillende betrekking van zijn uitdrukkingsvormen. En zo schept het geloof het zekere hart, dat zich niet moet verliezen in deze werkelijkheid, maar haar open kan ontmoeten in de vrijheid van een christenmens die harerzijds zich tegengesteld in het dienen van de eigen van God gegeven vrijheid verzekerd.

Daarom heeft Luther op grond van deze tegenstellingen zijn theologie niet als een systematisch ontwerp gemaakt. Deze resistentie mag daarom niet verbloemen, dat zijn theologie geenszins onsystematisch is. Wanneer wetenschap zich daardoor uittekent, dat men onderscheiding kan maken, dan is de theologie van Luther wetenschappelijk te noemen. Het hermeneutische centrum van de theologie van Luther, de onderscheiding van wet en evangelie, geest en letter, rechtvaardigende God en zondige mens, laat zich uit zichzelf de dialectische systematiek zien die methodisch en inhoudelijk wegwijzend blijft. Daarmee wordt de hermeneutiek tot aangename systematiek van de theologie. Dit geldt niet alleen, omdat Luther als theoloog exegeet was. Veel meer hield hij aan de centrale stelling vast omdat hij de hermeneutiek in haar categoriale bedoeling voor het verstaan van de werkelijkheid zag. Haar bedoeling resulteert uit de in het christelijke Godsbegrip zelf liggende dubbelbestemming van God en mens en wortelt in zoverre in de christologie en soteriologie, die in de kruistheologie haar meest provocerende vorm heeft. Haar bedoeling resulteert uit het in het christelijke Godsbegrip zelf liggende dubbele bestemming van God en mens en wortelt in zoverre in de christologie en soteriologie als de bepalingen van de christelijke theologie, die in de kruistheologie haar provocerende vorm heeft gevonden. Daarin verschranken zich inhoud en methode. Want het kruis houdt betekenis voor de ontsluiting van de werkelijkheid. En deze werkelijkheid kenmerkt zich als de ware werkelijkheid die onder het tegendeel verborgen ligt en daarom zich eerst moet ontsluiten.

Het kruis is ook niet een initiatie voor het ontvangen van het heil, het is de structuur van de ware werkelijkheid van de schepping, hoe die eigenlijk bedoeld was, namelijk als woordelijke werkelijkheid, die leeft van de scheppingscreativiteit van het Woord, dat alles nieuw maakt. Het Woord van het kruis is dat woord, dat ons belooft is, waaraan het geloof en alleen daar vindt het zijn zekerheid. De opdracht van de theologie die zich hermeneutisch moeten bezig houden met deze werkelijkheid, maar alleen door de ontmoeting met de nieuwe werkelijkheid. Als dit is het Woord van Waarheid en Woord van vrijheid.

Luthers theologie van de rechtvaardiging, die zich niet op de vrijheid en de gerechtigheid van de mensen beroept, maar die alles van God verwacht, verstaat zich nu maar in geen manier als nalatigheid aan de ethiek. Niet alleen de vrijheid, ook het verantwoordelijke subject heeft Luthers theologie tot op vandaag wegwijzende impulsen gegeven. Deze worden in de Lutherse traditie niet alleen betoond, maar langzaam ondergraven. Dit tekort weg te werken, is een opdracht van het huidige Lutheronderzoek.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 679-681)