Home / Lutherencyclopedie / Oecumene

Oecumene

Ook wanneer het begrip oecumene door Luther niet gebruikt wordt, gewon zijn kerkbegrip al snel oecumenische structuren. Voor Luther bestaat de gehele christenheid op aarde niet uit de Rooms-Katholieke Kerk alleen, maar uit alle christenen die op aarde zijn. Luther kijkt dus over kerkmuren heen. Voor Luther heeft de Katholieke Kerk niet de eenheid van de christelijke kerk gebracht. Bij de Leipziger Disputatie met Johannes Eck heeft Luther dan ook de grote dimensie van de gehele Christenheid voor ogen. Hij kent kerken in Oost-Europa, Griekenland, in de Oriënt, in Perzië en Indië. Voor Luther is daarom ook niet de gebondenheid aan Rome van belang, maar de geestelijke verbondenheid die gaat over de fundamenten van het christelijke geloof. Luther ontdekt in deze samenhang de ruimte voor christelijke vrijheid. Het middelpunt is Jezus Christus en de belijdenis van Hem mag niet verstommen. “De kerk is alleen gebonden aan haar Heere, in alle overige dingen is zij vrij. Zij is niet gebonden aan een plaats, zij is ook niet gebonden aan een ambt.”

De verhouding tussen de gereformeerden en de lutheranen was lange tijd moeilijk te noemen, pas sinds 1973 werd een kerkgemeenschap tussen gereformeerden en lutheranen mogelijk door de Leuenberger Konkordie. Ook de relatie tot de dopersen was moeilijk voor de lutheranen, maar door een gezamenlijk document uit 2010 is deze relatie verbeterd. Bij al het streven naar oecumene is zowel het streven naar reformatie en het behoud van de ene kerk van Jezus Christus van belang. Het zijn als het ware twee koppen van één en dezelfde munt. Voor zo een programma zijn vier punten van belang. Allereerst is reformatie een oecumenisch thema, daarnaast is oecumene een reformatorisch thema, het derde punt is dat ervoor gezorgd dient te worden dat er geen oecumene zonder reformatie en geen reformatie zonder oecumene plaats vindt. Als vierde moet de reformatie zijn als de oecumene en de oecumene als de reformatie.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 520-522)