Home / Lutherencyclopedie / Lutheranisme

Lutheranisme

Het lutheranisme is de lutherse tak van de Reformatie. Met het lutheranisme worden de opvattingen en de gemeenschappen bedoeld die ontstaan zijn uit het werk van Luther. Belangrijk is dat het lutheranisme een vorm in het enkelvoud is en dat de gemeenschappen die onder deze koepel vallen, wezenlijk een eenheid vormen. Daarbij horen ook bepaalde belijdenissen.

Allereerst worden met het begrip lutheranisme de theologische posities en de kerken bedoeld die bewust willen staan in de lijn van de persoon en de centrale inzichten van Maarten Luther en daar in leer en leven naar willen handelen. Met de persoon van Luther wordt bedoeld dat men zich herkende in Luther die als aangevochten monnik tot de reformatorische ontdekking kwam dat God Zichzelf geeft in de belofte van het Evangelie. Met de leer van Luther wordt onder andere gevonden in de sola’s van sola scriptura, sola gratia, sola fide, solus Christus en soli Deo gloria.

De leer van Luther wordt onder andere verwoord in zijn Abendmahlschrift uit 1528 (WA 26, 499-509) en andere geschriften over het Avondmaal zoals de Marburger Artikel uit 1529 en de Schwababacher Artikelen uit 1530. Tegenover de rooms-katholieken is vooral de Confessio Agustana van belang. In de Schmalkadische Artikeln is de kern van de reformatorische leer van Luther opgenomen. Centraal leerstuk is daarbij het stuk van de rechtvaardiging.

Na de dood van Luther waren er heftige verschillen tussen luthersen over de geloofsleer. Dit kwam doordat Luther en Melanchthon zelf onder andere al in opvatting verschilden over de christologie en het Avondmaal. Het Konkordiënbuch uit 1580 zorgde voor helderheid over deze thema’s en werd de norm voor het lutherse gebied.

In de negentiende eeuw ontstond een piëtistisch lutheranisme, een door de mystiek beïnvloede stroming, die sterk gericht was op het doordringen van het religieuze in het menselijke leven. Daarbij was de praktijk van de godsvrucht van groot belang.

Toch houden ook dogmatische lutherse werken uit die tijd zich bezig met de relevantie voor het leven van de mens. Daarbij gaat het dan om de verhouding tussen de door de zonde aangeklaagde mens en God, die rechtvaardig maakt. Onder andere werd in deze dogmatieken de orde van het heil behandeld.

Omdat de landsheer in Duitsland bepaalde welke religie werd aangehangen, kwam het tot een nauwe verbinding tussen de kerk en de staat. In Lutherse gebieden bleef deze nauwe verbinding bestaan tot aan de twintigste eeuw.

Tijdens de verlichting hadden verlichte theologen kritiek op de kerk. Zij hadden vooral kritiek op de kerk als machtsinstituut. Anderzijds was er ook de romantieke beweging die kritiek die had op de verlichtingstheologen. Daarbij stelden zij de belijdenis boven het verstand.

Er ontstond in de negentiende eeuw een beweging die kritiek had op de traditionele kerkleiding en die de nadruk legde op de individuele authentieke vroomheid. Daarbij was een ervaring van wedergeboorte en bekering van groot belang. Daarnaast wilde men terug naar de tijd van de Reformatie en wilde men oud-protestantse dogmatieken laten herleven. Men benadrukte dat de mens was aangewezen op verlossing die van buiten de mens komt.
Doordat door het confessionele lutheranisme werd betoogd dat zij de ware voortzetting zijn van het lutheranisme, heeft het begrip ‘lutheranisme’ in Duitsland iets conservatiefs gekregen. Toch worden daarmee ook bewegingen bedoeld die zich beriepen op de vrijheidsimpuls van Luther en hem zagen als degene die de autonomie van het subject heeft verworven.

Veel lutherse theologen werden na de Eerste Wereldoorlog conservatief. Zij bepleitten de authentieke individuele vroomheid en streden tegen subjectivisme, waarbij de mens zelf autonomie had. Dit had tot gevolg dat luthers theologen zich gingen binden aan het nationaalsocialisme. Daarbij werd wel in acht genomen dat de politiek alleen in zaken van de wet zeggingskracht had.

De periode na de Tweede Wereldoorlog is moeilijk te karakteriseren. Enerzijds waren er theologen die zich inzetten voor de belijdenis van Luther. Anderzijds had het lutheranisme veel te stellen met de gevolgen van de Tweede Oorlog. Men zag in dat aspecten van Luthers theologie gebruikt waren door het nationaalsocialisme. Ook had de lutherse theologie veel te stellen met de opkomende theologie van Karl Barth.

Aan het eind van de twintigste eeuw kwamen er oecumenische gesprekken tussen de lutherse kerken. Belangrijke punten voor de lutheranen waren het rechtvaardigingsbegrip en het sacramentsbegrip. Ook kwam het emancipatie denken in deze tijd op, waar de lutherse kerk zich toe diende te verhouden.

Het lutheranisme kan dus veel betekenissen hebben. Allereerst heeft het te maken met een terugkomen op het reformatorische begrip van Luther, een interesse in zijn religieuze biografie en zijn geloof. Tegelijkertijd hoort daar ook de ervaring bij van de onontkoombaarheid van de zonde.

Tegelijkertijd heeft het lutheranisme ook te maken het verstaan van de Schrift, de belijdenis, de verkondiging en de Sacramenten. Wezenlijk voor het lutheranisme is dat het handelen van God niet alleen gericht is op het heil van de mens. Het gaat bij God in het lutheranisme om het behoud van de hele schepping.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 461-468)