Home / Lutherencyclopedie / Eed

Eed

Luther stelt de thematiek van de eed aan de orde in de uitleg van de Tien Geboden. Ook in de uitleg van een gedeelte uit de Bergrede (Matth. 5 : 33-37), een gedeelte dat stelt dat men niet mag zweren, gaat Luther in op deze thematiek. In de tijd van Luther stelden de dopersen – naar aanleiding van het gedeelte uit de Bergrede – dat men in zijn geheel niet mag zweren, Luther ziet zich daardoor genoodzaakt om in te gaan op deze thematiek.

Allereerst stemt Luther met de dopersen in dat men niet op een lichtvaardige en abusievelijke manier de eed mag afleggen. Zweren uit eigenbelang is af te wijzen, zo stelt hij. Wel vindt Luther dat als de overheid of de rechtspraak vraagt om een eed te zweren men dat als christen dient te doen. Luther stelt dat men mag zweren als dat lijdt tot het goede en tot heil van de naaste.

In preken van Luther over de Bergrede stelt hij dat het voor de eenvoudige christen verboden is om te zweren omdat Christus in Zijn Bergrede Zich richt tot de eenvoudige christen. Zweren in wereldlijke ambten of taken zoals bij de overheid of bij het leger is toegestaan, zo stelt Luther. Toch noemt Luther de naastenliefde wel een legitieme grond om te zweren. Deze schijnbare tegenstelling verdwijnt als men kijkt naar de visie van Luther op de overheid: zij dient haar taak uit te voeren volgens het liefdegebod om de zwakken te beschermen.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 182-183)