Home / Lutherencyclopedie / Ecclesiologie

Ecclesiologie

Uitspraken over de kerk zijn er regelmatig te vinden in het werk van Luther. De kerkleer van Luther is echter niet als een dogmatisch leerstuk te reconstrueren. Toch hangen de vragen aangaande van wie de kerk is, wie de kerk bouwt en aan wie de kerk toebehoort voor Luther samen met het leerstuk van de rechtvaardiging van de zondaar alleen door het geloof. In verschillende geschriften aan het begin van de jaren twintig van de zestiende eeuw schrijft Luther over de kerk. Te denken is aan een geschrift als Von den Papsttum zu Rom (1520) en de apologie Dass ein christliche Versammlung oder Gemeine Recht und Macht habe, alle Lehre zu urteilen (1523). Maar ook in zijn Catechismussen, strijdgeschriften en preken laat Luther zich uit over de kerk.

In de Schmalkadische artikelen (1537) beweert Luther dat een kerk een hoorgemeenschap is van diegenen die de stem van de Herder – Jezus Christus – horen en door Zijn stem tot geloof komen en in de gemeenschap van gelovigen komen. De kerk is voortdurend in Gods Woord gegrond en gevat. De Kerk is dus schepsel van het Woord van God en kan daardoor van haar oorsprong zeker zijn. De Heilige Geest zorgt ervoor dat de Kerk ook gebouwd wordt. Dit doet Hij door tegelijkertijd door de gelovige als enkeling tot een nieuw leven te scheppen en de gemeenschap van gelovigen te scheppen. Overal waar het Woord van God gepredikt, gehoord, geloofd en beleden wordt, daar is de kerk, aldus Luther.

De christelijke kerk is in haar wezen de gemeenschap van de gelovigen. Omdat bij een kerk vooral gedacht wordt aan een stenen gebouw, spreekt Luther liever over een “gemeenschap van heiligen” of een “verzameling van christengelovigen”. Het nieuwtestamentische woord ecclesia geeft Luther weer met “gemeente” of “christenheid”.

Het gaat bij een gemeente vanzelfsprekend niet om de gemeenschap met elkaar, maar om de heilsgemeenschap met Christus. Christus is het hoofd van de geestelijke christenheid. Deze plek behoort dus de paus niet toe, aldus Luther.

De kerk stelt een verborgenheid grootheid weer. Alleen God kan in het hart van de mens kijken, God alleen weet wie geloven en tot de Kerk behoren. De kerk neemt wel een lijfelijke gestalte aan en heeft betrekking op de verborgen Kerk doordat het Evangelie verkondigd wordt.

De kerk bestaat uit een verzameling van heiligen en goddelozen tegelijk. De kerk bestaat uit Christenen die tegelijkertijd zondaar en rechtvaardig zijn. Luther kan daarom ook zeggen dat er geen grotere zondares bestaat dan de christelijke kerk. Heiligheid verkrijgt de kerk alleen door Christus.
Hoewel de kerk als object van het geloof een verborgen werkelijkheid voorstelt, is de kerk ook in een zichtbare gestalte aanwezig. Volgens Luther mag men niet stellen dat de Rooms-Katholieke kerk de enige ware kerk is. Want overal waar het Evangelie recht wordt verkondigd, de sacramenten stichtelijk worden bediend, is de kerk. De verkondiging van het Evangelie, de bediening van de Doop en het Avondmaal zijn dan ook de kenmerken van de zichtbare kerk.

Later heeft Luther deze kenmerken uitgebreid. Dan noemt hij onder meer de biecht en de absolutie, het kerkelijke ambt, de eredienst, het onderwijs in de Catechismus en het lijden omwille van het Evangelie. Later noemt hij ook de eerbied voor de overheid, het rechte verstaan van het huwelijk, oftewel een goed huwelijksbegrip, en het afzien van vergelding. Voor Luther was het belangrijk dat de kerk ook in haar uiterlijke gestalte gekenmerkt werd door de levenshouding van haar leden. Toch blijft staan voor Luther dat de twee meest wezenlijke kenmerken van de kerk zijn dat het Evangelie wordt verkondigd en de Sacramenten worden bediend.

De geestelijke volmacht van de kerk is het Evangelie. Daarbij gaat het om het priesterschap van alle gelovigen, dat gegrond is in het priesterschap van Jezus Christus. Deze volmacht wordt alle Christenen verleend door de Doop en door geloof. Deze volmacht komt alle gelovigen toe. Luther heeft door het priesterschap van alle gelovigen het onderscheid tussen geestelijken en leken opgeheven. Noodzakelijk is wel dat er predikers zijn die vertrouwd zijn met het ambt van de Woordverkondiging. Dit is niet zozeer een ambt om te heersen, maar een ambt om te dienen. Priester zijn alle gelovigen, predikanten zijn door de gemeente beroepenen.

Voor Luther waren visitaties aan kerken van belang om te kijken naar de eenheid van leer en leven bij gemeenteleden. Waar het Evangelie vervalst en de sacramenten niet juist bediend worden, daar is een valse kerk. Luther ziet het pausdom dan ook als de verschijning van de antichrist. De evangelische gemeenten waarschuwt hij om waakzaam te blijven, want de strijd tussen Christus en de antichrist doortrekt de hele geschiedenis van de kerk. Het Evangelie is daar te vinden waar het verkondigd wordt zonder menselijke toevoegingen. Want Christus zelf onderhoudt de Kerk in de waarheid, die op de jongste dag openbaar wordt.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 184-188)