Home / Lutherencyclopedie / Christologie

Christologie

De christologie vormt het hartstuk van de theologie van Maarten Luther. In zijn christologie hoort de leer van de Persoon van Christus onlosmakelijk bij het werk van Christus. In zijn vroege geschriften concentreert Luther zich op het heilswerk van Jezus Christus. Wellicht had dit te maken met de persoonlijke aanvechting die hij had als monnik. In zijn angst voor het vagevuur werd hij door zijn biechtvader Johannes von Staupitz gewezen op de lijdende Christus. Voor Luther werd het kruis van Christus niet alleen middelpunt van zijn vroomheid, maar ook van zijn Schriftuitleg. In de theologie gaat het om het kruis (theologia crucis), aldus Luther. Hij wijst hiermee de theologie die probeert Gods onzichtbare wezen met de middelen van het verstand te doorgronden af (theologia gloriae).

In de Kleine Catechismus geeft Luther aan wat de heilzame betekenis is van de kruisdood van Jezus Christus. Christus heeft als verloren en verdoemd mens de Christen verlost, verworven, gewonnen van alle zonden, van de dood en van het geweld van de duivel. Dit heeft Christus gedaan door Zijn onschuldig lijden en sterven, opdat de Christen Zijn eigendom is. In het rijk van Christus deelt de Christen in eeuwige gerechtigheid, onschuld en zaligheid, zoals Christus is opgestaan uit de dood, leeft en regeert in eeuwigheid.

Luther interpreteert de kruisdood van Christus als loskoping, zoals de Vroege Kerk die ook interpreteerde. Daarbij bevrijdt Christus de zondaar uit de macht van de duivel en overwint Hij de hel en de dood. De Christen is zo niet meer in het bereik van de zonde en de duivel, maar behoort tot de heerschappij van Christus.

De vraag hoe aan de gerechtigheid van God genoeg gedaan wordt, beantwoordt Luther door in aanknoping van de middeleeuwse verzoeningsleer van Anselmus van Canterbury te stellen dat het kruislijden van Christus als plaatsvervangende genoegdoening voor de mens gezien moet worden. De mens is vanwege zijn zonde onbekwaam om genoegdoening te bewerkstelligen. Hoewel Anselmus straf en genoegdoening als elkaar uitsluitende wegen zag tot herstel van de gerechtigheid, zag Luther de genoegdoeningshandeling van Christus als de overname van schuld en straf voor de zonde. Vanwege deze genoegdoening had de dood van Jezus Christus geen aanvulling nodig door de mis en door boetewerken.

Dat door de dood van Jezus Christus de macht van de zonde en van de dood overwonnen zijn, ziet Luther – evenals de kerkelijke traditie – gegrond in de Godheid van Jezus Christus. De incarnatie van de Zoon van God is de vooronderstelling. God in Zijn natuur kan niet sterven, maar nu God en mens verenigd zijn in een Persoon, zo heet het Gods dood, wanneer de Mens sterft. De voorstelling dat Jezus Christus alleen naar Zijn menselijke natuur lijdt, wijst Luther op soteriologische gronden af. Ook is dit in strijd met de eenheid van God en mens in de incarnatie, aldus Luther. In Gods deelname aan het kruislijden ontsluit zich de diepste grond voor de schenkende gerechtigheid van God.

Voor de verzoening van de mens met God komt het er voor Luther op aan, dat de mens zich in geloof vastklampt aan de belofte van de verlossing die Christus voor hem/haar heeft bewerkstelligd. Men dient te weten dat Gods Zoon is gekruisigd, gestorven, opgestaan en ter rechterhand van God zit omwille van hem/haar. Vast moet men geloven dat de wonden en het lijden van Christus mijn zonden zijn, Hij draagt ze en betaalt ze. Door de opstanding van Christus zijn de zonden verslonden. Hier klinkt het motief van de vrolijke ruil door: de goederen en de zaligheid van Christus worden eigendom van de ziel, alle zonden worden gelegd op Christus, die worden eigendom van Christus.

Zo min als de mens voor zijn eigen gerechtigheid kan zorgen, zo min kan de mens uit eigen kracht het vertrouwen op Christus stellen en de gerechtigheid van Christus aannemen. Het is nodig dat Christus in de werkzaamheid van de Heilige Geest de gemeenschap bewerkstelligt en de mens daar telkens van verzekert.

Voor de zekerheid van de zondenvergeving en de gemeenschap met Christus speelt het vieren van het Avondmaal een bijzondere rol. Door de instellingswoorden van het Avondmaal is Christus lijfelijk en reëel aanwezig in brood en wijn, aldus Luther. Luther neemt hier de Schrift zeer letterlijk en wijst de interpretatie van de Zwitserse theologen Zwingli en Oecolampadius af. Zij leerden dat de instellingswoorden van Jezus een symbolische betekenis hebben: volgens hen kan Christus naar Zijn menselijke natuur niet aanwezig zijn in het Avondmaal, omdat Hij aan de rechterhand van God zit. Voor Luther is dat een ‘slechte’ Christus, als Hij maar op één plaats tegelijk kan zijn. Het inzicht van de Zwitserse reformatoren is in tegenspraak met de op de incarnatie gegronde eenheid van de Persoon van Jezus Christus, aldus Luther.

Voor Luthers kruistheologie als voor de presentie van Jezus Christus in het Avondmaal is de op de incarnatie gegronde eenheid van Jezus Christus fundamenteel. Met overeenstemming van het concilie van Chalcedon uit 451 belijdt Luther dat de Goddelijke en menselijke natuur in Jezus Christus onvermengd en onveranderd bewaard blijven. Ook brengt hij naar voren dat de Goddelijke en menselijke natuur in Jezus Christus ongescheiden en ongedeeld verenigd zijn.

Overwegingen over de kruistheologie en het Avondmaal brengen Luther in zijn latere werk tot overwegingen over de persoon van Jezus Christus. Voor Luther bestaat de gemeenschap van de naturen van God en mens daarin, dat zij verwisselbaar zijn. Wat de mensen toekomt, kan van God gezegd worden en wat God toekomt, kan van de mensen gezegd worden (communicatio idiomatum). Zo kan gezegd worden: Deze Mens heeft de wereld geschapen of deze God heeft geleden, is gestorven en is begraven. Deze uitspraken kunnen alleen betrekken hebben op Jezus als de geïncarneerde Zoon van God.

Luther maakt in zijn christologie onderscheid tussen concrete en abstracte predicaten. Zo kan gezegd worden dat Christus een Schepsel en een mens is, maar van Hem kan niet gezegd worden dat Christus de mensheid is. De predicaten tussen Mens en mensheid zijn dus onderscheiden volgens Luther, die van God en Godheid echter niet. Een uitspraak als ‘Christus is de Godheid’ is dus volgens hem mogelijk.

Ware christologische uitspraken kenmerken zich door de eenvoudigheid en de goedheid van de Heilige Geest. Het rijk van het geloof kenmerkt zich door een andere sfeer als die van de filosofie of dialectiek. Toch zijn uitspraken van Luther over verschillen tussen persoon en natuur en abstracte en concrete natuur gedrenkt in de aristotelische filosofie. Luthers focus op het geschenk van Jezus Christus aan het kruis en Zijn opstanding als bewijsgrond voor de Godheid van Christus en de ware bestemming van de mens functioneren vandaag als wegwijs voor de moderne evangelische theologie.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 143-147)