Home / Lutherencyclopedie / Bijbel

Bijbel

Voor Luther bestond de Bijbel uit de geschriften van het Oude en het Nieuwe Testament, die hij van de Vulgaat (de Latijnse Bijbelvertaling) kende. Luther hield zich zijn hele leven bezig met de Bijbel in colleges, preken en vertalingen. Vooral de Romeinenbrief was voor Luther belangrijk, omdat hij hieruit zijn rechtvaardigingsleer ontwikkelde.

Van zijn tijd in het klooster van Erfurt is bekend dat Luther zich intensief bezighield met de Bijbel. In de kloostergebeden hield Luther zich bezig met de Psalmen en als student met Bijbelstudie. Hij kende het Hebreeuws en later ook het Grieks, waardoor Luther de Bijbel in de grondtalen kon lezen. In zijn colleges over de Psalmen, Romeinen-, Galaten- en Hebreeënbrief gebruikt hij deze talenkennis. Door de taalkundige bestudering van de gerechtigheid van God in Romeinen 1 : 17 kwam Luther erachter dat hier niet een actieve (geëiste), maar een passieve (geschonken) gerechtigheid bedoeld is. Deze passieve gerechtigheid schenkt God aan mensen door het geloof. Door deze ontdekking veranderde het Godsbeeld van Luther en de hermeneutiek van de Bijbel. De Romeinenbrief werd de sleutel voor de hele Bijbel. Luther maakte onderscheid tussen centrale geschriften zoals Romeinen, Johannes en Galaten en minder belangrijke geschriften zoals Hebreeën, Judas en Jakobus. Jakobus zette Luther achter aan in zijn vertaling van het Nieuwe Testament. Het Oude Testament las Luther op een christologische manier, waar hij het Oude Testament vooral als wet zag. Verschillende boeken uit de Vulgaat schaarde hij onder de apocriefe boeken.

Luther was trots op zijn Bijbelvertaling. Hij begon in 1521 op de Wartburg het Nieuwe Testament te vertalen in het Duits. In september 1522 was hij hiermee klaar. Op de boekenmarkt werd zijn Nieuwe Testament gretig afgenomen en in december 1522 moest er al een tweede druk komen. Over het Oude Testament deed hij wat langer: in 1534 was het echter mogelijk om een hele ‘Lutherbijbel’ uit te geven. Vertaalprincipe voor Luther was dat hij zich niet slaafs aan de tekst hield, maar hij zocht naar de bedoeling van een tekst en probeerde die in zo goed mogelijk Duits weer te geven. Kritiek kreeg Luther omdat hij zelf woorden in de tekst toevoegde, zoals het woord ‘alleen’ in Romeinen 3 : 28. Luther kreeg met een hevige concurrentie te maken, omdat ook andere geleerden Bijbelvertalingen uitbrachten. Grondtekst voor hen was echter de Vulgaat. In het vertalen werd Luther ondersteund door collega’s van de Universiteit van Wittenberg. Luther waakte zeer precies voor de afwerking van zijn Bijbelvertaling; zo liet hij vastleggen waar afbeeldingen ingevoegd mochten worden. Hij reviseerde aan het eind van zijn leven in 1544-45 de tekst, maar dit werd soms niet overgenomen. Dit omdat de druk verscheen na Luthers dood in 1546 en het zo niet meer mogelijk was na te gaan of de revisies wel van Luther zelf afkomstig waren. Keurvorst Johan Frederik de Grootmoedige ondersteunde de Wittenbergse Bijbeldruk, en zorgde ervoor dat de uitgave van 1524 werd beschermd tegen plagiaat en roofdruk. Dit was echter onmogelijk tegen te houden. Ook de drukker uit Wittenberg had te maken met vele concurrenten.

Het Woord van God in de vorm van de Heilige Schrift was voor Luther als een schat die de maatstaf was voor alle theologische uitspraken en het hele leven. Voor Luther stond de Bijbel boven de traditie van de kerk. De Bijbel legde zichzelf uit aan de gelovige en er was geen instituut nodig dat bepaalde wat de juiste uitleg van de Schrift was. De prediking was het middel om het Woord van God door te geven.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 108-112)