Home / Lutherencyclopedie / Beelden

Beelden

Het juiste gebruik van religieuze beelden was in de middeleeuwen een belangrijk discussiepunt. Op de achtergrond van deze discussie stond het oudtestamentisch beeldverbod (Exodus 20 : 3). Reformatoren als Zwingli en Bucer namen in deze discussie een duidelijk afwijzend standpunt in, maar voor Luther behoorde het punt tot de zogeheten  ‘adiaphora’, dingen die vanuit het oogpunt van het heil onbelangrijk waren.

Door mensen de juiste beelden voor ogen te stellen kan men volgens Luther het Evangeliewoord verstevigen en ondersteunen. Zij herinneren aan het werk van God, trekken de aandacht en weren op die manier de duivel. Beelden hebben dus voor Luther een didactische en catechetische functie bij de bemiddeling van het geloof.

Misbruik ontstaat volgens Luther wanneer mensen hun heilsvertrouwen uit beelden halen, ze vereren en aanbidden. Daarmee maken zij beelden tot afgoden en zoeken door zulke werken bij God genoegdoening te bewerkstelligen. Om dit tegen te gaan is het nodig dat de harten van gelovigen door preken en pastorale gesprekken onderwezen worden. Worden beelden opgericht vanuit een vals vertrouwen of worden zij als afgoden vereerd, dan moeten zij verwijderd worden uit de godsdienstige ruimte, wanneer de overheid hier opdracht toe geeft. Een beeldenstorm (zoals die door Andreas Karlstadt was georganiseerd in Wittenberg) wijst Luther af als wetticisme. Luther heeft dus geen moeite met beelden, mits er juist mee omgegaan wordt.

(Bron: V. Leppin & G. Schneider-Ludorff (red.), Das Luther-Lexikon (Regensburg: Bückle & Böhm 2014), 113-114)