Home / Lutherencyclopedie / Avondmaal

Avondmaal

Het avondmaal was voor Luther levenslang van grote betekenis, omdat voor hem in brood en wijn Gods beloften en de band met Christus concreet werden. Hij geloofde dat Christus er lichamelijk in aanwezig was, vanwege de woorden in Mattheüs 26 : 26 en 28: ‘Dit is Mijn lichaam’ en ‘dat is Mijn bloed’. Tegelijk was het avondmaal een belangrijk brandpunt in niet alleen zijn strijd met Rome, maar ook discussies binnen het reformatorische kamp.

In een preek over het juiste gebruik van het avondmaal uit 1518 zegt Luther, dat de behoefte aan het avondmaal de belangrijkste voorwaarde is om het te mogen ontvangen. In 1519 twijfelt hij nog, of Christus wel lichamelijk in de elementen aanwezig is. Vanaf 1520 is voor hem echter duidelijk, dat de woorden uit Mattheüs 26 letterlijk verstaan moeten worden. De beloftewoorden dat de wijn het bloed is en vergoten wordt ‘tot vergeving van zonden’ bewerken en verzegelen een daadwerkelijke vergeving voor wie die belofte in geloof ontvangt. Ook wie niet gelooft ontvangt Christus, maar tot een oordeel.

Tegen Rome stelde Luther dat Christus na het gebruik van het avondmaal niet aanwezig blijft in de hostie en dat de hostie dus niet vereerd mag worden. Ook wijst hij de gedachte dat het avondmaal een herhaling van het offer van Christus is af, omdat die opvatting zou betekenen dat de mens iets aan God moet brengen.

Toen in de jaren 20 de liturgie in het reformatorische gebied opnieuw doordacht moest worden, kwamen er grote verschillen binnen het reformatorische kamp aan de oppervlakte. Luther keerde zich scherp tegen de opvattingen van Karlstadt en Zwingli, die stelden dat het avondmaal een herdenkingsmaaltijd was, en dat de instellingswoorden niet letterlijk, maar figuurlijk bedoeld zijn (‘Dit betekent mijn lichaam’). Dat betekende volgens hem een aantasting van de klaarblijkelijke betekenis van de Schrift en bovendien werd zo de concrete aanwezigheid van Christus aan het geloof ontnomen. In zijn geschrift Vom Abendmahl Christi. Bekenntnis, het uitvoerigste dat hij over de kwestie heeft geschreven, leerde hij dat Christus ook lichamelijk alomtegenwoordig was (‘ubiquiteit’). Die was nodig om de concrete aanwezigheid in brood en wijn te kunnen leren zonder daarvoor op de rooms-katholieke transsubstantiatieleer terug te hoeven vallen.

Zijn reformatorische tegenstanders wilden met hun opvatting echter helder maken, dat exclusief het offer van Christus zelf, en niet de elementen van brood en wijn het heil het heil bewerkte. Ook waren zij juist beducht voor allerlei vormen van bijgeloof rond het avondmaal. Pogingen tot een verzoening te komen (vooral het Marburger godsdienstgesprek) liepen op niets uit. Ook na Luther is het avondmaal een belangrijk verschilpunt gebleven tussen de lutherse en de gereformeerde orthodoxie.

  • Sermo de digna praeparatione cordis pro suscipiendo sacramento eucharistiae [1518] (WA 1, 329-334);
  • Sermon von dem hochwürdigen Sakrament des heiligen wahren Leichnams Christi und von den Bruderschaften [1519] (WA 2, 742-758);
  • Sermon vom Neuen Testament [1520] (WA 6, 353-378);
  • Formula missae et communionis [1523] (WA 12, 205-220);
  • Von Anbeten des Sakraments [1523] (WA 11, 431-456);
  • Sermon von dem Sakrament des Leibs und Bluts Christi wider die Schwarmgeister [1526] (WA 19, 482-523);
  • Das diese Worte Christi ‘Das ist mein Leib etc.’ noch fest stehen wider die Schwarmgeister [1527] (WA 23, 64-283);
  • Vom Abendmahl Christi. Bekenntnis [1528] (WA 26, 261-509).