Home / Lutherencyclopedie / Autoriteit van de Schrift

Autoriteit van de Schrift

De autoriteit van de Schrift is voor Luther gegrond in het eeuwige Woord van God, dat in Jezus Christus de menselijke natuur heeft aangenomen. Hiervan wordt getuigd in de Heilige Schrift en in de christelijke verkondiging. De overtuiging van Luther dat alleen de Schrift (sola scriptura) de bron voor het geloof en de norm van de christelijke leer is, staat in het kader van de rechtvaardiging. De Schrift bewijst haar autoriteit doordat het in de geschiedenis gevormde gestalte is van het Woord van God, door hetwelk de Heilige Geest het rechtvaardigende geloof opwekt. Het middelpunt van de Schrift is Christus, het gaat in de schriften erom of zij Christus openbaren of niet.
In het conflict met de Roomse Kerk beargumenteert Luther de exclusieve autoriteit van de Bijbel tegenover de autoriteit van de kerkelijke traditie, de paus en de concilies. Luther wijst in zijn polemiek met Erasmus op de helderheid van de Schrift (claritas scripturae). De uiterlijke helderheid komt tot stand door tekststudie, de innerlijke helderheid komt tot stand door de Geest van God. Tegenover de dopersen, die zich beriepen op een onmiddellijke geestervaring, beargumenteert Luther de noodzakelijkheid van het uiterlijke Woord voor de heilsbediening. Voor de reformator ligt de autoriteit van de Schrift daarin, dat de Schrift woorden van heil en leven bevatten.