Home / Lutherencyclopedie / Autoriteit van de kerk

Autoriteit van de kerk

Volgens Luther krijgt de kerk autoriteit als zij de geestelijke volmacht uitoefent door het evangelie te verkondigen en de sacramenten te bedienen. Een bijzondere leer-en juridische autoriteit van de Kerk, zoals die in de middeleeuwen en in het pausdom gold, wijst hij af. Luther wees dit af omdat deze niet in het goddelijke recht gegrond is. Ook wees hij de bijzondere autoriteit en waardigheid van het priesterambt af, omdat naar 1 Petrus 2 : 9 de priesterlijke volmacht aan alle dopelingen is gegeven.
Luther stelt dat de christelijke gemeente het recht heeft een predikant uit te kiezen en zelf toezicht te houden op de ware en valse leer. Volgens Luther moet het sleutelambt naar Mattheüs 18 : 15-17 uitgeoefend worden met het oog op de zielenzorg. De ban moet alleen uitgeoefend worden bij notoire zonden. Excommunicatie wijst hij af. De kerk moet haar autoriteit niet als heerschappij uitoefenen, maar als dienst aan het evangelie en het heil van mensen.