Home / Lutherencyclopedie / Armoede

Armoede

Voor Luther is het belangrijk dat er binnen de gemeente van gelovigen geen armoede en bedelarij voorkomt. Volgens Luther moet er niemand veroordeeld zijn tot de bedelstaf. De kritiek van Luther is vooral gericht op de kerk en de overheid.  Door hun structuren, inzamelingen en verdelingen van de aalmoezen veroorzaken zij de bedelarij. Daarnaast bekritiseert Luther de zogenaamde ‘bedelmonniken’. Hij moet niets van deze ‘vrijwillige armoede’ hebben.

Bedelen kan begrepen worden als een manier om geld te verdienen door aalmoezen. Aalmoezen kunnen komen van individuen, maar ook van instituten. De bedelstand stond wel onder kritiek omdat ook veel bedelaars gebreken en ziekten voorwenden, terwijl ze in werkelijkheid niets mankeerden. Veel kritiek was er ook op de bedelorden van de monniken. Voor Luther hoorde dit niet in de kerk thuis.

In geestelijk opzicht zijn alle mensen arm en aangewezen op Gods genade. De mens kan niet heersen over de zonde en is onzelfstandig. Armoede wordt hier dan ook wel gezien als ‘onzelfstandigheid’. Het wonder is dat God arm is geworden voor ons. Zo mogen wij ook arm worden in navolging van Christus. Hiervan onderscheiden is armoede in antropologisch-caritatieve zin. Hier is armoede een levensomstandigheid van gebrek, een omstandigheid waar veel mensen zich in de vroegmoderne tijd in bevonden.

Voor Luther is het belangrijk dat de genade reeds geschonken is. Dit in tegenstelling tot de laat-middeleeuwse theologie, waar de genade verdiend moet worden. Als de christen zich bewust is dat de genade al om niet gegeven is, kan hij zich voor de dienst aan de naaste inzetten en zo de eer van God bevorderen. De goede werken zijn niet betekenisloos, maar hebben wel een andere motivatie. Ze worden gemotiveerd door Gods genade. Het bedelen wordt niet verboden, maar zou volgens Luther niet nodig moeten zijn binnen de christelijke gemeente. Het is dan wel nodig dat de kerk verandert. Men moet de goede werken niet meer zien als noodzakelijkheid voor het delen in het heil. Maar als uiting van dank aan God als eerste Gever, in het kader van de naastenliefde.