Home / Niet gedacht dat stellingen zo goed zouden aanslaan

Niet gedacht dat stellingen zo goed zouden aanslaan

Wat verwachtte u van de 95 stellingen en hoe pakte het uit?

 

Luther in een brief aan de raadsheer Christopher Scheurl te Neurenberg op 5 maart 1518:

 

Op het feit dat jij je verwondert dat ik deze [Luthers Latijnse en Duitse stellingen, red.] jullie niet heb toegestuurd, antwoord ik: Het was niet mijn bedoeling en ook niet mijn wens, om ze te verbreiden. Eerst moet er door enkele personen, die bij ons en bij ons in de buurt wonen, daarover gedisputeerd worden, zodat de stellingen door het oordeel van velen of verworpen en vernietigd of toegestemd en gepubliceerd worden.

Nu worden ze echter – ver boven mijn verwachting – zo vaak gedrukt en verspreid, dat mij deze pennenvrucht berouwt. Niet dat ik er geen voorstander van ben dat de waarheid het volk bekend gemaakt wordt – dat wil ik juist enkel en alleen – maar deze manier is niet geschikt om het volk te onderwijzen. Ik twijfel namelijk zelf over enige zaken en ik zou veel dingen heel anders en trefzekerder beweerd of weggelaten hebben wanneer ik dit [de brede verspreiding van de stellingen, red.] zou hebben verwacht.

Toch leid ik met genoegen uit de verbreiding af wat allen overal over de aflaat denken, hoewel in het geheim, namelijk uit angst voor de Joden. Zo ben ik toch gedwongen om bewijs voor mijn stellingen te verzamelen, wat ik echter nog niet heb mogen publiceren. De eerwaardige en genadige heer, de bisschop van Brandenburg, wiens oordeel ik in deze zaak heb geraadpleegd, is daartoe zeer verhinderd en houdt mij te lang op. Ja, als de Heere mij vrije tijd geeft, dan wil ik een boekje in het Duits over de waarde van de aflaat publiceren, zodat ik deze heel vage stellingen onderdruk. Ik twijfel er trouwens niet aan dat het volk bedrogen wordt, niet door de aflaat, maar door het gebruik ervan. Ik zal dit [het boekje dat Luther wil schrijven, red.] sturen, zodra het gereed is.

(…) Ik verzoek jou en hem [de beroemde Neurenbergse schilder Albrecht Dürer, red.] dat jullie die zo overdreven mening over mij laten varen en niets groters van mij verwachten dan ik kan waarmaken. Ik kan echter en ben geheel en al niets en word elke dag meer tot een niets.